Syndroom van Down

Bij kinderen met Downsyndroom verloopt de taalontwikkeling trager. Met logopedie kun je al heel vroeg beginnen met oefeningen en je kind helpen de mond, tong en gezichtsspieren op een goede manier te gebruiken. Een (pre)logopediste helpt je daarbij.

Goed leren eten en drinken

Met eten en drinken train je de spieren rondom je mond, gebruik je je lippen en leer je je tong goed te bewegen. Dat begint dus eigenlijk al met de borst- of flesvoeding. En daarna met het eerste fruithapje, de soepstengels en de tuitbeker. Als je merkt dat je kind moeite heeft met drinken, is het verstandig een prelogopediste in te schakelen. Er kunnen verschillende oorzaken zijn voor moeilijk eet- en drinkgedrag. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de luchtpijp wat slap is, waardoor het moeilijk is te ademen tijdens het drinken. Ook kan de coördinatie van het zuigen, slikken en ademen lastig zijn, vaak door te weinig energie, bijvoorbeeld als gevolg van een hartprobleem. Daarnaast zorgt de bouw en/of de beweeglijkheid van de tong er soms voor dat het zuigen, en later ook het kauwen en het drinken uit een beker, moeilijker is. Samen met de prelogopediste ga je op zoek naar de beste oplossingen voor jouw kind. Met oefeningen kun je actief aan de slag om je kind te helpen.

Ongevoelige of overgevoelige mond

Kinderen met Downsyndroom kunnen zintuiglijke prikkels anders ervaren dan we gewend zijn. Bij sommige kinderen is het gebied rond de mond heel ongevoelig, waardoor ze hun mond nauwelijks gebruiken. Bij anderen kan het juist overgevoelig zijn en hebben ze een afweer van voedsel of de speen. Een gespecialiseerde (pre)logopediste kan je goed uitleggen hoe dit werkt en geeft je advies over welke oefeningen je kunt doen.

Leren ‘spreken’

Vóórdat kinderen met Downsyndroom gaan spreken is er al sprake van communicatie. Een belangrijke voorwaarde voor een goed lopende communicatie is het aangaan en vasthouden van contact. Daarnaast is het belangrijk dat er sprake is van beurtgedrag. Het is van groot belang om hiermee al vroeg te beginnen. Het stimuleren van deze communicatieve voorwaarden kan niet vroeg genoeg beginnen. Een prelogopediste kan je hierbij helpen door het geven van adviezen. Alle kinderen willen communiceren, ook als ze wat later de taal tot hun beschikking hebben. Dus is het slim om daar wat extra middelen bij in te zetten, zodat je kind ook zonder gesproken woorden kan zeggen wat ze wil. Een logopediste geeft hier ondersteuning bij en kijkt wat een goede manier is om met jouw kind aan de slag te gaan. Andere vormen van communicatie zijn bijvoorbeeld het gebruik van gebaren, pictogrammen (symbolische afbeeldingen) en foto’s.

Gebaren zijn concrete symbolen die direct verwijzen naar de handeling, waardoor ze makkelijker te imiteren zijn dan een gesproken woord. Denk maar eens aan het zwaaien van kleine kinderen; dat doen ze eerder dan dat het eerste woordje eruit komt. Met gebaren gaat je kind je nadoen (imiteren is een belangrijke voorwaarde om te leren spreken), heb je meer oogcontact en kan je kind zich uiten. Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat de gebaren het leren praten niet in de weg staan en zelfs kunnen versnellen. Door het maken van het gebaar (een motorische handeling) kan je kind het woord makkelijker uit het geheugen halen. Voor meer informatie over het gebruik van gebaren en vragen over hoe het werkt, kun je een gespecialiseerde logopediste raadplegen.

Pictogrammen zijn eenvoudige afbeeldingen van bijvoorbeeld voorwerpen, handelingen of situaties. Meestal is de achtergrond zwart en het plaatje wit. Het betreffende woord staat er in letters bij, waardoor het kind de koppeling tussen het plaatje en het woordbeeld kan maken. Omdat een afbeelding voor een kind makkelijker te herkennen is, geeft het je kind een manier in handen om te communiceren. De combinatie van het plaatje met het geschreven woord, kunnen de overgang naar taal vergemakkelijken. Er zijn een heleboel systemen op de markt en een logopediste kan je adviseren welke methode voor jouw kind de beste is. Ook leert ze je er mee werken.

Een foto is concreter en persoonlijker dan een pictogram en daardoor vooral geschikt voor kleinere kinderen (vanaf 1 jaar). Met foto’s kun je je kind bekende voorwerpen, personen of zelfs situaties leren herkennen. Je begint met foto’s uit de directe omgeving van je kind en breidt dit steeds meer uit. Het gaat dan om foto’s van de fles, een boterham, het bedje, speelgoed, de ouders, opa en oma etc. die je bundelt in een boekje. Met dit boekje kun je je kind dingen vragen, maar kan je kind ook dingen duidelijk maken door op de betreffende foto te wijzen. Eventueel gecombineerd met gebaren is het ook een hulpmiddel bij het leren van gesproken woorden.

Praten met woorden

Uiteraard werkt een logopediste ook aan het ontwikkelen, stimuleren en begrijpen van de gesproken taal. De taalontwikkeling begint eigenlijk al met oogcontact, imitatie en vooral het plezier om te communiceren. En daar kun je als ouder veel betekenen: door je kind te observeren, te volgen, je eigen communicatie aan te passen aan het kind en er vervolgens betekenisvolle taal aan toe te voegen, stimuleer je je kind enorm. De logopediste begeleidt je hierin en zal oefeningen meegeven.

Van klank tot zin

Een volgende stap is het nabootsen van klanken. Met spelletjes met poppen, dieren of ander speelgoed kun je klanken koppelen aan een concreet voorwerp. Bovendien werk je visueel en omdat het visuele vermogen van veel Downkinderen beter ontwikkeld is dan het gehoor, is het voor je kind makkelijker. Om woorden uit te lokken en de woordenschat te vergroten zijn liedjes een veelgebruikt hulpmiddel. Ook het gebruik van geschreven taal kan goed helpen bij het leren spreken. Hiermee wordt wederom een beroep gedaan op de vaak beter ontwikkelde visuele vermogens.

Als je kind de taal goed gaat imiteren, volgt de grammaticale ontwikkeling. De logopediste zal werken aan het uitbreiden van de zinsbouw en de woordvorming, zoals het meervoud van woorden of de verleden tijd van werkwoorden. Natuurlijk begint ze zeer spelenderwijs, maar naarmate je kind ouder wordt, zal ze het steeds vaker ook in oefenvorm aanbieden.

De uitspraak

Vanwege de bouw van de mond en de tong en een vaak lagere spierspanning, sluit de mond soms niet zo goed en zit de tong nogal eens in de weg. Ook de aansturing van de spieren vanuit de hersenen is vaak lastig bij kinderen met Downsyndroom. Dit alles kan problemen geven met het goed articuleren van woorden. Door al vroeg de mondmotoriek te stimuleren en te versterken, kan je kind woorden beter vormen en uitspreken.

Heel gerichte articulatietraining is vooral zinvol als de voorwaarden voor een goede uitspraak aanwezig zijn. Er kan door de logopedist gebruik gemaakt worden van klankgebaren om het kind de klanken aan te leren. Het gebaar dat je maakt sluit aan bij de klank. Dat is duidelijk en geeft je kind een houvast doordat de klank voelbaar of zichtbaar wordt. Daardoor krijgt je kind meer controle over de vorming van een woord en kan hij of zij de mond, tong en ademhaling beter sturen. En daarmee verbetert de verstaanbaarheid direct. Er kan ook gekozen worden voor het gebruik van meer tactiele ondersteuning bij het aanleren van klanken, zodat het kind goed kan voelen hoe hij de klank moet maken.

Ook het spreektempo van sommige Downkinderen kan de reden zijn dat je ze moeilijk verstaat. Ze spreken dan heel snel en verbasteren veel woorden. De logopediste zal proberen het spreektempo te vertragen.